De strijd van Mariap van Urk

Onderstaande tekst is een bewerkte versie van de lezing, die ik op 26 oktober 2019 in Museum ‘Het Oude Raadhuis’ gaf, als onderdeel van de ‘Dag van de Urker Geschiedenis’.

Ik begreep dat deze dag, de Dag van de Urker Geschiedenis, werd geïnitieerd door het Urker gemeentebestuur, om de geschiedenis van Urk levend te houden. Ik wil niet aan nestbevuiling doen, maar enigszins verbijsterd was ik te horen dat er in hetzelfde gemeentehuis, behoorlijk chauvinistisch, een balletje werd opgegooid om een “zeehelden”-buurt te realiseren. Dit is niet de plaats om daar verder op in te gaan – dat dit nodig zou zijn stemt mij reeds droevig – maar ik wil er toch graag iets tegenover zetten: waarom geen Zuiderzeeheldenbuurt op Urk?

Want eigen helden hebben we genoeg. Of het nu de Harderwijker Eibert den Herder was, die de politiek inging om zich tegen de inpoldering te verzetten, Grietje Bosker uit Hippolytushoef, de vrouw die als eerste over de Afsluitdijk ging, Willem Arondéus, die voor de oorlog op Urk verbleef en één van de breinen achter de grootste verzetsdaad tijdens de Tweede Wereldoorlog is geweest, de Urker Tromp de Vries, die zich opwierp als eigentijdse cultuurhoeder, de schilder Mastenbroek, wiens naam u later nog voorbij zult zien komen, Willem Ruiten, de gewaardeerde Urker dichter, of die andere dichteres, Mariap van Urk. En die lijst kan nog veel langer… Willen we werkelijk die geschiedenis levendig houden, wanneer zien we hen dan eens genoemd?

De laatstgenoemde, Mariap van Urk-Koffeman, is onderwerp van mijn ietwat beknopte lezing van vanmiddag. Graag wil ik jullie meenemen op reis langs haar leven.

Niet geheel toevallig is het thema van de Maand van de Geschiedenis, waarop de Dag van de Urker Geschiedenis enigszins wil aansluiten, “Zij/Hij”. Op de website van de organisatie is te lezen:

“Vrouwen hebben altijd zo’n vijftig procent van de wereldbevolking uitgemaakt. Toch weten we vooral de namen van mannen uit het verleden. Als we de vrouwen niet ook kennen, hoe kunnen we de wereld om ons heen dan begrijpen?”

Een terechte vraag lijkt ook mij. We zijn geneigd de rol van de vrouw in de geschiedenis te onderkennen, zelfs onze wijze van herinneren is hierdoor beïnvloed. De hoogste tijd dat we stilstaan bij een van de grootste figuren uit de moderne Urker geschiedenis – die dan ook nog eens, niet geheel toevallig, een vrouw is.

afbeelding: Nieuwsblad van Friesland, 26 mei 1948

Eerst wil ik mijzelf graag voorstellen. Want die Mariap, Marretje van Urk-Koffeman, die ik net noemde, is mijn overgrootmoeder, de moeder van mijn beabe Albert van Urk. Ik ben Bas Visscher, 27 jaar oud, studeer Cultureel Erfgoed in Amsterdam. Momenteel werk ik in het Joods Cultureel Kwartier, op de afdeling Joods Historisch Museum aan het Waterlooplein in Amsterdam. Eerder werkte ik bij de Toneelschuur en Teylers Museum te Haarlem. Dan hebben jullie een beeld van wat ik doe voor de kost.

Ik wil het graag over Mariap van Urk hebben aan de hand van meerdere invalshoeken. Allereerst haar leven als vissersvrouw, in een veranderende tijd: de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee. Vervolgens haar werk als dichteres en boegbeeld van het Urker verzet. Daarnaast haar rol in de media en om af te sluiten haar latere inzet als erfgoedhoedster van Urk. Dit alles wil ik doen aan de hand van krantenknipsels. Want als er één Urker is geweest die veel in de media is geweest, dan was het Mariap wel.

afbeelding: Mastenbroek, “Het laatste schepje”, Zuiderzeemuseum, 1940

Op deze slide zien we een iconisch schilderij van Mastenbroek. Hij werd aangesteld door de overheid om beeldend verslag te doen van de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee. Dit olieverfschilderij werd gemaakt naar aanleiding van de sluiting van de dijk naar Lemmer en daarmee het begin van de inpoldering van de Noordoostpolder. Op de foto zien we allemaal mannen in zwarte pakken, maar één vrouw springt eruit – dit is mijn bessien Mariap. Je moet toch wel een prominente rol in de geschiedenis hebben gehad om op zo’n schilderij te staan. Dat had ze ook. En tijdens onderzoek naar de afsluiting van de Zuiderzee ben ik haar naam zo vaak tegengekomen… Daar wil deze lezing getuige van zijn.

afbeelding: Afsluitdijk, twee dagen voor de sluiting. Oostelijk sluitgat middelgronden, Rijkswaterstaat / Afdeling Multimedia Rijkswaterstaat, 1932

We gaan even terug naar 1918. In dat jaar wordt de Zuiderzeewet aangenomen, waarmee werd overgegaan tot de aanleg van de Afsluitdijk en de drooglegging van de Zuiderzee. Ik zal hier niet verder op ingaan, vorig jaar is immers uitvoerig stilgestaan bij deze gebeurtenis en de gevolgen voor Urk… Wie er meer over wil weten, verwijs ik graag door naar onze podcast Land van Melk en Honing.

Deze foto komt uit 1932. Mariap Koffeman is dan al een tijdje getrouwd met Klaas van Urk – visserman van beroep. U begrijpt dat de kostwinning van Klaas, net als vele andere Urkers, door de Afsluitdijk op de tocht komt te staan.

afbeelding: Leeuwarder Nieuwsblad, 7 september 1932

Het gezin Van Urk had niet kunnen voorzien dat er in datzelfde jaar iets tragisch gebeurde. Het vissersschip van Klaas strandt dan voor de kust, ter hoogte van Egmond. De drie bemanningsleden overleven het ongeluk, maar van het scheepje is weinig over. Het gezin van Klaas en Mariap kwam plotseling zonder inkomsten te zitten.

Burgemeester Gravesteijn liet nog een advertentie plaatsen om een paar duiten binnen te krijgen voor het noodlijdende gezin, maar dat mocht niet baten. In het archief van mijn opa Albert vond ik nog een subsidieaanvraag voor een nieuw schuitje, die helaas werd afgewezen – men zag immers geen toekomst meer voor de visserij, nu de Zuiderzeeplaatsjes ten dode waren opgeschreven…

afbeelding: Briefje Zuiderzeesteunwet Klaas van Urk, archief Albert van Urk, 1936

Het gezin Van Urk werd afhankelijk van de Zuiderzeesteunwet. Deze was in 1925 in het leven geroepen om de noodlijdende vissers financieel te ondersteunen. Een soort van uitkering dus. De aanvraag werden behandeld in Amsterdam, aan het Rokin. Rokin 149, het nummer van het kantoor waar de uitkeringen werden verstrekt, werd al snel een begrip. Mariap van Urk schrijft hierover:

“Er waren er vele, die het Dossiernummer van het Rokin beter uit hun hoofd kenden dan den aanslag der belasting, óók midden in den nacht. (…) De gewone uitkeering aan visschers, de volle “norm” dus, was 12 gulden voor man en vrouw en 1 gulden voor ieder kind. Man, vrouw en 5 kind’ren dus 17 gulden. Daar deze wet vele hiaten had en zéér grillig was van uitvoering, was zij op Urk (en ik zelf denk ook in andere steden) gehaat.”

Niet zo vreemd dus dat Mariap werd geïnspireerd door de Zuiderzeewerken en de gevolgen ervan. Die Zuiderzeewerken troffen haar en haar dorpsgenoten persoonlijk. Ergens rond deze tijd, uit ze haar oprechte zorgen, en protest, komt tot uiting in het volgende gedicht:

Eerst de zee en nu de netten
nam men aan de Urkers af,
en zo delft men schop voor schopje,
langzaam aan des vissers graf.

Overmaat van verse paling
en nu jaagt men ons naar huis.
Gaat de hele vloot naar huis toe,
zwáárder wordt dan nog ons kruis.

was ik zélf een Urker visser,
of ik kwaad deed dan wel goed,
sterven zou ik op mijn netten,
badend in mijn paupersbloed.

Later zal ik verder ingaan op de gedichten van Mariap.

afbeelding: Sumatra Post, 1932

Het bleef niet bij passief verzet. De Telegraaf schrijft op 14 september 1932: “…toen de Hoornsche boot, welke de Urkers onderweg had opgepikt, aan de Ruyterskade gearriveerd was, stelden de vrouwen zich in rijen van vier op, jonge en oude. En gearmd trokken ze vervolgens naar het bureau van de commissie der Zuiderzeesteunwet op het Rokin. (…) De demonstratie, welke een waardig verloop had, eindigde op het Rokin bij het bureau van genoemde commissie. De vrouwen stelden zich in een kleurige rij van oranje, groen en blauw op en keken naar het kantoor, van waaruit eenige typisten al hadden geroepen: “Daar komen ze”.”

afbeelding: Louise Kaiser en P.J. Meertens, Het Eiland Urk. Alphen aan de Rijn: N. Samsom N.V., 1942. p XII.

Ik heb jullie net iets verteld over het leven Mariap van Urk als betrokken vissersvrouw, die geëngageerd was met het verzet tegen de inpoldering. Maar Mariap was meer dan een gewone huisvrouw. Ze kwam dan ook uit een bijzonder gezin, haar grootvader Klaas Koffeman stelde als een van de eersten – zo niet de eerste – een tekst op in het Urker dialect, de gelijkenis van de Verloren Zoon om precies te zijn. Zijn zoon, Mariaps vader, Iede Klaas Koffeman, was directeur van de Urker visafslag, en zette Mariap aan tot het schrijven van gedichten, of versjes, zoals ze die zelf noemde.

Haar culturele betrokkenheid blijkt uit de inleiding van het standaardwerk “Het Eiland Urk”, van Louise Kaiser en P.J. Meertens (naamgever en directeur van het Meertens Instituut). Dit lijvige boekwerk had als doel om de verdwijnende Urker cultuur in kaart te brengen. De familie Koffeman zag het belang hiervan ook in en in de inleiding wordt het gezin Koffeman nadrukkelijk bedankt voor de samenwerking.

afbeelding: Nieuwsblad van Friesland, 24 april 1940

Mariap van Urk schrijft dan al een tijdje bijdragen voor het Urker krantje “De Oprechte Urker”. Bij feestelijke gebeurtenissen zet ze Urkers in het zonnetje, bij droevige gebeurtenissen steekt ze de Urkers een hart onder de riem. Ook buiten Urk raakt ze bekend, zo neemt het Nieuwsblad van Friesland haar bijdragen op, zoals hier een gedicht over de Ommelebommelesteen.

afbeelding: Het Parool, 24 december 1949

Blijkbaar weet ze mensen te raken met haar op het eerste oog eenvoudige gedichtjes. Voor de oorlog is ze enkele malen te horen op de landelijke radio (VARA). Journalisten van de Volkskrant, het NRC, de Groene Amsterdammer, de Tijd, en van tal van regionale kranten, weten de weg naar haar kleine huisje te vinden. Mariap van Urk treedt op als woordvoerder van de Urker samenleving, als spreekbuis van een verdwijnende Zuiderzeecultuur, iets wat men in het snel verstedelijkende Nederland koestert. Intussen blijft ze tijd zien om tussen het drukke gezinsleven door tal van gedichtjes te schrijven. Boven alles is Mariap van Urk dichteres.

afbeelding: Mariap van Urk, Vaarwel mijn Zuiderzee. Kampen: Ph. Zalsman, 1949

De zorgen met betrekking tot de inpoldering en de dreiging van het verdwijnen van de Zuiderzeecultuur zijn ook de thema’s van haar eerste bundel “Vaarwel mijn Zuiderzee” (1949). Met een manuscript in handen ging Mariap naar een uitgever in Kampen en werd zo de eerste Urker met een dichtbundel op naam – al was het wel zo dat ze er maar een schamele, eenmalige, vergoeding voor kreeg. Natuurlijk was ze trots, maar toch voelde ze zich vaak onbegrepen:

“Ik heb somtijds een gevoel van … eenzaamheid. Nee, dat niet, dat vooral niet. Daar is Urk veel te gezellig voor. Wél een gevoel van alléén-staan wat dit werk betreft.´

Het viel immers niet mee, binnen een hardwerkend calvinistisch dorp, uiting van esthetiek te geven. Niet dat dit de Urkers aan te rekenen viel – voor de kunsten was, en is, nauwelijks tijd en dus begrip in het drukke vissersbestaan.

Haar deftige, in mooie volzinnen (én met een prachtig handschrift) geschreven gedichten, soms naïef, soms van werkelijke kwaliteit, doen denken aan een tijd die is voorbijgegaan en niet meer terugkomt.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

En dan is er in het laatste kwatrijn toch die hoop op de toekomst, die met frisse moed tegemoet moet worden gegaan:

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Maar ondanks het feit dat ze binnen haar eigen dorp niet de waardering vond die ze zocht – wel voor haar protest, maar niet voor haar dichtkunst of inzet voor de cultuur, de noodzaak werd niet begrepen – kwam er van buiten Urk wel waardering voor dat laatste aspect van Mariap.

afbeelding: Brief van P.J. Meertens aan Mariap van Urk, Archief Albert van Urk, 16 juni 1950

Hier zien we een brief van dezelfde Meertens die ik eerder noemde. Een decennium, een wereldoorlog en een inpoldering verder was zijn instituut uitgegroeid tot een deftig onderzoeksbureau. Toch benadert hij Mariap als een gelijke:

“Je hebt in dit bundeltje, zoals je zelf zegt, lief en leed, weemoed en humor uitgebeeld, maar vooral het leven van de Urkers in de tijd toen Urk nog een eiland was. Dat behoort nu tot het verleden, en daarom zullen Urkers en oud-Urkers en allen die jullie mooie eiland hebben gekend in zijn glorietijd je dankbaar zijn voor hetgeen je van dat leven in je gedichten hebt vastgelegd.”

afbeelding: Onderhoud tussen Mary Pos en Mariap van Urk, Archief Albert van Urk, juli 1950

De journalisten die Mariap vóór de oorlog, voor de droogmaking bezochten waren Mariap niet uit het oog verloren. Ik noem een paar namen: Fred Thomas (De Tijd), Jef Last (Groene Amsterdammer), en ook de destijds beroemde Mary Pos wijdde artikelen aan Mariap, uit welk contact uiteindelijk een goede vriendschap groeide. Hier zien we Mariap en Mary in een onderonsje. Mariap, vissersvrouw, keek op tegen het avontuurlijke leven van wereldreizigster Mary. Mary op haar beurt bewonderde de levenskracht van Mariap, hoe ze naast haar drukke bestaan als moeder van een groot gezin tijd zag zich in te zetten voor de Urker kwestie. Deze wisselwerking, deze vriendschap, blijkt uit de volgende bijdrage die Mariap schreef voor het Nieuwsblad van Friesland, vlak voor de oorlog nog:

“Mary Pos, je zult dan meer gezien hebben dan Mariap van Urk, maar hebt ge er zooveel van genoten? Telkenmale nieuwer, ‘glansrijker, verrassender, Goddelijker? Mocht je wereldbereisd schoentje eenmaal zulk een plekje vinden, […] En al zoudt ge met een bezwaard hart den ouden reismantel aan den huiselijken kapstok hangen, tegelijkertijd zoudt ge de koesterende warmte ervaren van den eigen haard en zou ie je verdrinken in de genoegens van een kinderbadje!” MARIAP VAN URK.”

afbeelding: Mariap van Urk, Urker ambachten en bedrijven. Enkhuizen: Vereniging vrienden van het Zuiderzeemuseum, 1955

Voor de oorlog al werd er besloten een Zuiderzeemuseum op te richten, waarin de Zuiderzeecultuur bewaard zou blijven, gemusealiseerd zou worden. Mariap van Urk zag de noodzaak hiervan in – de algemeen heersende gedachte was nog altijd dat die parmantige cultuur zou verdwijnen. De vrienden van het Zuiderzeemuseum besluiten daarom in 1955 haar bundel Urker Ambachten en Bedrijven uit te geven. Ook hierin weet Mariap weer een beeld te schetsen van het Urk als eiland. Een documentaire op rijm, vastgelegd voor de volgende generaties.

afbeelding: Mariap van Urk en Fokke Post tijdens een tentoonstelling of symposium over klederdracht in het Openluchtmuseum Arnhem, Archief Albert van Urk, 1956 (?)

Ook op andere manieren zet ze zich in voor de Zuiderzeecultuur. In 1956 rijst ze af naar Arnhem, om medewerking te verlenen aan een tentoonstelling of symposium over klederdrachten uit het voormalige Zuiderzeegebied. Ze ziet de noodzaak hiervan in – eind jaren ’50 zijn traditionele klederdrachten bijna uit het straatbeeld verdwenen.

afbeelding: De Tijd, 13 augustus 1957

Dit krantenbericht geeft blijk van de persoonlijkheid van Mariap. Avontuurlijk en boegbeeld van de Urker cultuur. In 1957, Mariap is dan bijna zestig jaar oud, vliegt ze mee met een “Zuiderzeevlucht” van KLM. Ik neem aan dat Mariap daarvoor nog nooit een voet in een vliegtuig gezet had… Maar op flinke hoogte laat ze een bont gezelschap kinderen uit Zuiderzeedorpen liedjes als “D’r kwam es een skeutjen van Harlingen of”…

afbeelding: De Tijd, De 26 juli 1958

Ook blijft Mariap politiek geëngageerd en haar mening ventileren via de landelijke pers. Wanneer de saneringsplannen voor het oude dorp door het gemeentehuis gaan, uit Mariap felle kritiek in nieuwsblad de Tijd.

“Ook Mariap, de dichteres van Urk, de pientere, levenswijze vissersvrouw, is fel gekant tegen het plan. […] Moet zij dit alles nu prijs geven, van Mariap van Urk Mariap van de Poldervaart worden […][?].”

Wanneer Urk een paar jaar eerder onderdeel van de provincie Overijssel wordt, weigert zij een vlag uit te hangen en lezen we in de Nieuwe Apeldoornsche Courant:

“Mariap, die bekend is, niet alleen hier aan de boorden van het IJsselmeer, maar in veel grotere kring, omdat zij zelfs optreedt voor de radio. Mariap is neit zomaar een rijmelende dorpsgrootheid, maar een werkelijk begaafde dichteres. Haar gedichten weerspiegelen een rijkdom aan gevoel, een grote liefde voor het eigene, het karakteristieke en historische, dat Urk bezit. En daarom is Mariap een tegenstandster van de overgang van Urk naar Overijssel en wapperde er van haar kleine en knusse huisje geen vlag. “Nee”, zei Mariap, “ik kan d’r niet blij om zijn.”.”

afbeelding: De Tijd, De 26 juli 1958

Mariap ontfermt zich over het immateriële en materiele erfgoed. In de jaren ‘60 wordt de culturele waarde van de klederdrachten ingezien op nationaal niveau. “Een bejaarde naaister, de ook wel verzen schrijvende Mariap van Urk, wilde wel […] een paar kinderjurkjes maken.”

afbeelding: NRC Handelsblad, 26 maart 1964

Wanneer Mariap 66 jaar oud is, kan ze terugkijken op een bewogen leven. Veel is veranderd. Het eiland, waarop ze het leven zag, is onderdeel geworden van de IJsselmeerpolders. Die Zuiderzeesteunwet, die aanvankelijk een voorteken leek te zijn van het verdwijnen van Urk, zorgde er wel voor dat vele kinderen konden studeren en werk konden vinden in het Nieuwe Land. De onzekerheid waar de Urkers mee te kampen hadden, was veranderd in een optimistischer toekomstperspectief, al was het alleen maar omdat bleek dat de visserij ook na de inpoldering door kon gaan. Mariap heeft de wereld om zich heen zien veranderen, van armoede tot steeds verder groeiende welvaart.

En die Zuiderzeecultuur? Meer bleef bewaard dan aanvankelijk werd gedacht. Het moet voor Mariap bijzonder zijn geweest dat het Zuiderzeemuseum in 1964 een tentoonstelling over Urk opent, waar weer dat schilderij van Mastenbroek hangt: een document van de grote omwenteling voor Urk. Mariap is eregast bij de opening van de tentoonstelling en volgens het Algemeen Handelsblad kan er bij haar zelfs een “goedkeurend knikje” vanaf. Het moet bevreemdend zijn geweest, je eigen cultuur in een museale context te zien – maar als ik iets over Mariap kan zeggen, na zoveel van en over haar gelezen te hebben, durf ik te zeggen dat Mariap uiteindelijk vrede kreeg met de gang der zaken. Ze zag uiteindelijk ook in wat het Urk opleverde.

afbeelding: Leeuwarder Courant, 23 juni 1979

Cultureel erfgoed bestaat bij de gratie van het doorgeven aan volgende generaties. Zoals het schrijven en de liefde voor cultuur door haar grootvader aan haar vader werd doorgegeven, en van haar vader aan Mariap, zo werd de liefde ook doorgegeven aan haar zoon, mijn grootvader, Albert van Urk.

In 1978 wordt dankzij de stichting “Vrienden van Urk” een museum op Urk gerealiseerd, waarvan hij beheerder werd. En ook na haar overlijden hielp Mariap nog het verhaal van het oude Urk levendig te houden. Hoe trots zou ze zijn geweest dat de geschiedenis een prominente plaats “op” het Oude Dorp kreeg. In het krantenartikel staan ze naast elkaar: Mariap en Albert van Urk, erfgoedhoeders van Urk.

En ook nu worden deze verhalen nog doorgegeven, dankzij mensen als Mariap van Urk. Deze “Dag van de Urker Geschiedenis” mag daar getuige van zijn. Ik hoop dat ik met dit verhaal, over een bijzonder leven, heb laten zien hoe belangrijk het is dat mensen als Mariap van Urk herinnerd worden en een blijvende plaats houden in ons collectieve geheugen.

-Bas Visscher 2019

Publicatie van bovenstaande tekst verboden zonder nadrukkelijke toestemming van de schrijver.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *